De Baksteen

Ik moet zeggen dat dit hele gedoe met bakstenen me zwaar op de maag ligt. Ik heb het namelijk niet zo op bakstenen en probeer ze liever te ontwijken. Het zit namelijk zo, als klein kind heb ik ooit een baksteen tegen mijn hoofd gehad en sindsdien ben ik doodsbang voor ze. Het gaat zelfs zo ver dat ik mijn woning hierop heb uitgezocht. In de flat waar ik woon is geen baksteen te bekennen. Het is een grote gele flat omringd met trottoirtegels. Vanuit mijn woning stap ik de straat op en mijn auto die naast mijn woning geparkeerd staat rust op een zalig stukje asfalt. Ik heb het grootste respect voor stratenmakers. Vooral het gemak waarmee ze de voor mij zo angstaanjagende dingen temmen.

In mijn werk zie ik altijd af van het gebruik van baksteen. Ik ben architect dus dat is lang niet altijd even makkelijk, maar met argumenten als duurzamer en goedkoper in onderhoud, kom ik er tot nu toe mee weg.

Mijn obsessie gaat wel heel erg ver. Ik heb een hekel aan opengebroken straten. Zelfs mijn vriendin heb ik uitgezocht door op een terrasje naar vrouwen te kijken en diegene eruit te pikken die de bakstenen ontweken. Hierin heb ik een grote vergissing begaan en mijn vriendin bleek mijn situatie niet te begrijpen. Ze weigerde alle straatstenen te ontwijken. Ik kon haar toch moeilijk zoenen nadat ze in contact was geweest met een baksteen.

Zo ook vandaag. Mijn vriendin kwam thuis om kwart over drie. Dat is zo goed als onmogelijk. Ik heb de route naar haar werk op alle baksteenloze manieren drie keer gelopen. Je doet er minstens een half uur over. Ze kon dus nooit in een kwartiertje thuis zijn. Daarbij, mensen die over bakstenen hebben gelopen krijgen een bepaalde blik in hun ogen waaraan ik ze herken. Na een hoop ruzie, doe niet zo stom en hou er eens mee op is ze ermee opgehouden en weggegaan. Als ik een baksteen had durven aanraken was ik nu naar buiten gelopen om ze een voor een stuk te gooien. Ik word gek van ze.

Die frustratie heeft nog de hele dag geduurd en uiteindelijk ben ik kwaad op alle bakstenen in de hele wereld in slaap gevallen. Wanneer ik opsta is mijn woede nauwelijks verdwenen. Moeizaam doe ik mijn ochtend dingen en stap in de auto op weg naar mijn werk. Door mijn woede heb ik niet gezien dat ik een straat ben ingereden die vol ligt met klinkers. Ik kan maar een ding doen, hard doorrijden ! Plotseling schiet er een baksteen door de voorruit en raakt de passagiersstoel naast me. Van schrik ga ik voluit op de rem staan. Gelukkig zit er niemand achter me. Op dat ogenblik boort zich een auto vlak voor me in de voorgevel van een woning. Het dringt langzaam tot me door dat deze baksteen mij het leven heeft gered. Mijn woede slaat om in dankbaarheid.

Een paar dagen later staat er het volgende bericht in de plaatselijke kranten:

Heden ten dage vrijdag 28 mei
blijkt  in de gehele stad
op verschillende plaatsen
het wegdek opengebroken
te zijn. De onverlaten
moeten ’s nachts te werk
zijn gegaan. De daders zijn
nog niet achterhaalt.

Ik geloof dat ik hiermee een heleboel mensen voor een gewisse dood heb behoed. Morgen verhuis ik. Ik heb een baan aangenomen in Groningen als stratenmaker. Wat er in de loeizware verhuisdozen zit ? Ik heb het de verhuizers niet verteld !

 

Brandend geluk

Het was stil om hem heen. Hij was alleen met de hete zon brandend op zijn schouder. De wind die nauwelijks verkoeling bracht en het ademen nog moeilijker maakte. Het fijne rode zand onder zijn kapotte slippers zat niet alleen tussen zijn tenen, maar echt overal. Zijn lippen leken wel schuurpapier van het vele zand dat de wind met zich meedroeg. Een grote uitgestrekte kale vlakte waarin niets bewoog. Heuvels zand, de een na de ander.

Hoe lang hij hier al was was hij vergeten. Honger en dorst knaagden aan zijn verstand. Het wast begonnen toen hij haar zag. Zij had zijn rust verstoord, de dagen anders gemaakt en toen plotseling was hij verdwaald in dit kale landschap. Hij was een man van de zon en van de regen, van de wilde dieren, het bos en de natuur. Daar kon hij uren met zijn gedachten in verdwalen. Daar was hij thuis.

Hier was het vreemd, de rode gloed van het zand en de lucht die door de warmte spiegelend water leek te vormen in de verte. Eerst had hij er vol overtuiging nog achteraan gehold denkende dat in de verte zijn geluk te vinden was. Al snel was hij er achter gekomen dat het verraderlijke landschap met zijn zinnen speelde. Hij had het opgegeven, ondanks de dorst en het smachten naar water. Het zand bleef warm en onverbiddelijk.

Even speelde ze in zijn gedachten, ze had zijn leegte doorbroken. Niet dat zijn bestaan een saai bestaan was geweest, maar er miste iets. Wat dat was had hij pas ontdekt toen zij in zijn leven was gekomen. Ze had zijn drukke leven overhoop gegooid met haar dromen. Met de manier waarop ze de wereld door haar spiegel kon kleuren. De woorden uit haar mond betoverden zijn kale dagen en gaven deze de meeste wonderlijke wendingen.

Hij wist dat zij hem inspireerde tot het beste uit zichzelf te halen. Door in zijn leven plaats te maken voor de verwondering in plaats van het weten waarom en strakke planning. Ze had een goede invloed op hem, al vroeg hij zich wel eens af waarom ze zo makkelijk de dingen los kon laten.

Waar nu was ? Hij had geen idee. Hij probeerde zich het te herinneren, maar zijn gedachten waren net zo kaal als het landschap. Een ding stond als een paal boven water. Jammie, water! Hij miste haar. Hij miste haar hier en nu heel erg.

Zijn lichaam gaf aan dat hij genoeg gelopen had. Hij kon niet meer. Al zijn gedachten hadden hem op de been gehouden, maar nu was het klaar. Hij ging liggen op het warme zand, vertrouwd als in de armen van een moeder. De wereld werd stil om hem heen. Hij voelde niets meer . De wind niet, het zand niet, de dorst niet.

In de verte zag hij het zand glinsteren en weerspiegelen als water. Het leek dichterbij te komen. De lucht leek koeler, het zand minder hard in zijn gezicht, zijn lippen vochtiger. De spiegeling kwam steeds dichterbij. Een schaduw in de spiegeling viel hem op. Het leek wel: Nee dat kon niet. De schaduw kwam dichterbij en het rode zand verschoot van kleur. Het groene gras schoot voor de zwarte vlek uit. Vlakbij gekomen herkende hij het silhouet. Zij was het. Hij glimlachte.

Weken later vond ze zijn lichaam. De gieren hadden zijn ogen uitgepikt, zijn karkas opengereten. Veel huid en vlees zat er niet meer aan. Alleen een klein stukje hadden de gieren ongemoeid gelaten. Zijn lippen strak om zijn schedel vormden een grote grijns. Ze lachte ze mee en de wereld leek even zijn rode kleur te verliezen. Ze was gelukkig.

Tranendal

Lang geleden, in een land hier niet zover hier vandaan leefde een vrouw die Traantje heette. Ze was een vrolijk mens en had altijd een wijs woord klaar of een teder gebaar als iemand het nodig had. Zelf echter vroeg ze zich altijd af, of het leven niet meer voor haar in petto had. Reikhalzend keek ze uit naar haar eigen avontuur.

In het dorp waar ze woonde gebeurde er niet zoveel, het leven bestond uit de dagelijkse dingen en bood haar niet veel uitdaging. Niet dat ze zich verveelde. Nee, in tegendeel. Ze had het erg goed naar haar zin. De vrouw had echter een groot geheim dat haar parten speelde. Iets dat ze niet met anderen kon delen, dat alleen van haar was.

Zo kwam het dat ze op een gegeven moment een ingeving kreeg. Ze besloot dat ze er op uit moest.
Ze trok haar beste schoenen aan, pakte een knapzak in en sloot de deur achter zich. Daar op de drempel tussen haar huis en de rest van de wereld besloot ze dat het goed was en begon te lopen

Ze had geen enkel idee waar ze aan begon, welke kant deze reis op zou gaan. Ze liep het dorp uit en aan het einde van het dorp kwam ze bij een kruising. Welke kant op ? De weg naar links kende ze en die kon ze op haar duimpen uittekenen. De weg naar rechts was volledig onbekend. Ze ging naar rechts. Zo liep ze en liep ze, kruising voor kruising, haar gevoel volgend.

Bij elke kruising die ze passeerde kwam ze verder van haar vertrouwde route. Ze wist dat ze tegen zichzelf aan zou lopen door gewoon haar hart te volgen. Bij elke stap werd de druk om het vertrouwde en veilige pad te kiezen groter. Binnen in haar welde een traan op. Een traan die ze altijd verscholen had gehouden maar die bij elke stap groter werd. Toch bleef ze lopen.

Uiteindelijk kwam ze aan bij een groot bos. De majestueuze bomen van het bos leken haar te verwelkomen. De lange takken leken haar te willen omarmen. Alsof ze zich naar haar uitstrekten en haar wilden omhelzen. Alsof ze zeiden: “ kom maar hier, hier ben je veilig.”. Ze besefte dat dit haar bos was. Hier was ze thuis ondanks de traan van binnen.

Ze liep verder het bos in tot de takken dichter werden en ze kreeg het gevoel midden in het bos te zijn beland. Veilig voor zichzelf, voor alles wat ze had achtergelaten toen ze eindelijk besloten had om achter te laten. Hier liet ze alles los. Voor haar verscheen een open plek.

Al haar stappen had haar naar dit punt geleid. Alle wegen die ze bewandeld had kwamen hier uit, op dit punt. Ze stond hier helemaal alleen. Nou ja, alleen ? Misschien was dat het nu juist, niet meer alleen. Ze had zichzelf verbaasd. Ze was gewoon gaan lopen en had in alle stilte haar hart gevolgd.

De tranen welden op in haar binnenste. Alle tranen die ze had opgespaard kwamen naar boven en in een grote snik trilde haar hele lichaam. Traan voor traan stroomde uit haar ogen en vormde een plas aan haar voeten. Snik na snik groeide de plas tot het een meer werd. Bij elke traan voelde ze een last van haar schouders vallen en het meer werd steeds groter. De tranen verdwenen uit haar lichaam en uit haar geest tot bijna alle tranen verdwenen waren, want niet alle tranen verdwijnen helemaal. Ze besefte ook dat de tranen haar gemaakt hadden tot wie ze was.

Ze keek naar het meer aan haar voeten en nam afscheid van de tranen. Haar tranenmeer lag aan haar voeten. Ze keek nog eens goed en zag wie ze was. Wie er verscholen ging achter de tranen. Haar reflectie liet zien wie ze was. Een prachtige, gelukkige en vrije vrouw. Wat er van de vrouw geworden is ? Dat weet niemand alleen zij. Het tranendal met het tranenmeer liggen nog altijd in het bos. Mensen komen er graag zwemen en komen er verkwikt weer uit en op sommige maanverlichte nachten zit een schrijver aan de rand van het meer en schrijft haar verhaal.

Verkleining

Eens komt het punt
dat ook ik de kamer
veel te groot vind
dat ik mijn wereld
kleiner maak
en zij ook kleiner wordt
en ik met minder
veel minder genoegen
moet nemen
Blijf ik dan
roepen dat ik het
zelf wel kan?
Of neem ik
dan eindelijk de
hand aan
die jij al tijden
uitgestoken
voor mijn neus
bungelt?

Fotograaf

Ze is mooi
als ze jaagt
als haar ogen
door de lens speuren
naar schuchtere prooien
en ze die op het
juiste moment
weet vast te leggen
gevoelens
in kaders
plaatst

Ik dacht
dat ik aan haar
kon ontkomen
door te spelen
door mijn masker
op te zetten.
Als drager
van maskers
is dat mijn sport
en toch
wist ze me
te vangen
in dat ene moment
dat mijn ogen
glimmen van geluk
en ik op mijn
mooist ben.

Met voeten treden

Als de treden straks te groot zijn
of mijn voetstappen te klein
zul je me dan de trap op helpen
zoals ik jou de trap optilde?
toen mijn voetstappen te groot waren
en jouw voeten veel te klein

Mijn echte leven

Elk moment nu,
zal de wind mijn kant op waaien
ik blijf naar de horizon staren
en ik zal op de boeg staan, terwijl de golven
op me neerslaan

En jij zegt, wees stil mijn lief
open nu je hart
laat het licht naar binnen schijnen,
maar jij begrijpt het niet
ik heb allang een plan
ik wacht
tot mijn echte leven
gaat beginnen

Toen ik vandaag wakker werd
gebeurde er werkelijk niets
maar in mijn droom, versloeg ik de draak
Op mijn gebaande pad,
ga ik opnieuw op weg
volg ik weer mijn oude sporen

En jij zegt, wees nu gewoon hier
vergeet je naar verleden,
je masker dat wordt dun

Laat mij nog een keer
de dobbelstenen gooien
ik weet dat ik kan winnen
ik wacht
tot mijn echte leven
gaat beginnen

Elk moment nu,
zal de wind mijn kant op waaien
Dan wacht op ik op dat telefoontje dat gaat komen
dat zal snel, heel snel zijn
Al is het op het moment wat stil

En jij zegt, wees stil mijn lief
open nu je hart
laat het licht naar binnen schijnen,
maar jij begrijpt het niet
ik heb allang een plan
ik wacht
tot mijn echte leven
gaat beginnen

Op een mooie dag dan kan ik zien,
dan kan ik verder dan de horizon kijken

Mandala

Waar de grenzen verdwijnen
tussen de muziek en
wie ik ben
Als kleuren aan te raken zijn
ze te voelen
en te proeven zijn
Onze lijven niet langer
van onszelf zijn
maar gevangen in de beat
Zodat we verdwaasd
wakker worden
als deze stopt
Wij in stilte
naar onze tenten trekken
verdwijnen in onze dromen
waarin wij slapend
wakker worden

Knabbelvisjes

Ik heb 
geen moeite
om mijn 
voeten
in een 
aquarium
te stoppen
en de vissen
aan mijn
tenen te laten
knabbelen
krioelend
vechtend
om de
kleine stukjes
ik
die ik liever
kwijt
dan rijk ben

Een bakje troost

Als zelfs
de koffie niet kan troosten
als deze zijn
eigen leven leven gaat leiden
en mij wakker houdt
dat elke slok
er een teveel lijkt
en door dromen
nachtmerrie
schijnt.

Als ik dan
‘s morgens
wakker raak
aan de eerste stralen
van de zon
en mij een geurig
bakje dampend
wordt neergezet
dan ben ik weer
vergeten
dan begint opnieuw
de dag

 

Vakantie

Still
Lig ik
Achterover
Laat
De stralen
Van de zon
Mijn gezicht
Langzaam
Wakker kietelen
Naast me
Geurt
Een kopje thee
Naar munt
Niets hoeft
Dus
blijf ik
Nog even
Zo liggen